Conseil d'Etat de Belgique 6 décembre 2018
| Koko teksti |
243125 2019-06-17 15-00-15 547
- 51,03K
|
|---|---|
| Lehdistötiedotteen / tiivistelmän otsikko | - |
| Lehdistötiedotteen / tiivistelmän numero | - |
| Lehdistötiedotteen koko teksti | - |
| ECLI-tunnus | - |
| ELI-tunnus | - |
| Ratkaisun alkuperäkieli | néerlandais |
| Asiakirjan piävämäärä | 06/12/2018 |
| Ratkaisun antanut tuomioistuin | Conseil d'État (BE) |
| Aihe | - |
| EUROVOC-aihe |
|
| Kansallisen oikeuden säännös | - |
| Mainittu unionin oikeuden säännös | |
| Kansainvälisen oikeuden määräys | - |
| Kuvaus |
Verzoeker kan niet dienstig verwijzen naar de zaak C-550/16 bij het Hof van Justitie van de Europese Unie omdat die zaak betrekking heeft op rechten die voortvloeien uit de erkenning als vluchteling, die inderdaad declaratoire werking heeft. Te dezen werd verzoeker echter niet erkend als vluchteling, heeft hij de weigering van de vluchtelingenstatus niet betwist en betreft het enkel de vraag naar de beoordeling van het redelijk karakter van het intern vestigingsalternatief. Bovendien volgt uit artikel 8, lid 2, iuncto artikel 4, lid 3, a), van richtlijn 2011/95, waarnaar verzoeker verwijst, dat de lidstaten op het ogenblik van hun beslissing over binnenlandse bescherming rekening houden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van een verzoeker. Het gaat derhalve ook wat verzoeker zelf betreft over de actuele toestand en niet over de toestand op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. |
